Het is een wekelijkse reis. De enige training waarvoor ik speciale maatregelen tref. Witte boterhammen met aardbeienjam als brandstof vooraf, handheld bidon mee, net als gelletjes, pinpas, ov-chipkaart en donor codicil. Here we go: loooong run!

Geliefd, gehaat en soms gevreesd is ‘ie: de lange duurloop. Vast ingrediënt van ieder trainingsschema voor langeafstandslopers. ‘Dodelijk saai’, vinden sommigen, voor anderen zelfs ‘de reden dat ik geen marathon ga lopen’ en voor weer anderen is het juist het toetje op de trainingsweek.

Wat is de lange duurloop? Zoals bij zoveel zaken die betrekking hebben op trainingsleer verschilt dat per hardloper. Voor iemand die net een paar maanden aan het hardlopen is, is een duurloop van acht kilometer een best wel lange duurloop. Voor een ultraloper zijn duurlopen van 60 of 80 kilometer niet uitzonderlijk. Maar voor gewone stervelingen die een gemiddeld marathonschema volgen, is de langste duurloop meestal ergens tussen de 30 en 35 kilometer. Zelf loop ik ze in de aanloop naar een marathon tot ongeveer 34 kilometer.

Je hebt lange duurlopen in allerlei soorten. Er is de langzame lange duurloop, die je ver beneden je beoogde marathontempo afwerkt. Het is vooral deze variant waar veel hardlopers tegenop zien. Saai, vinden ze het, zo’n ellenlang stuk op slakkentempo: “Dat is geen hardlopen dat is joggen”. Met deze loop wen je je lichaam aan lang onderweg zijn, je traint hart en longen en door het lage tempo leer je je lijf om vet als brandstof te verbranden.

Om je lange duurloop wat te kruiden, kun je er tempoblokken in verwerken. Je loopt dan bijvoorbeeld de eerste helft op een relatief rustig tempo, vervolgens twee kilometer op wedstrijdtempo, kilometer rust, twee op tempo, etc. Of je maakt van het tweede deel – met die zestien kilometer in je benen – een wat intensievere intervaltraining: 800 meter knallen, 400 meter herstel, 800 hard, 400 rustig en dat een keer of zes. Ook lekker en zeer geschikt om de verveling uit de lange duurloop te verdrijven. Maar wel meer iets voor de gevorderde hardloper. Je kunt die ‘duurlopen plus’ ook niet al te vaak lopen, want ze vragen nogal veel van je lijf en vergen de nodige hersteltijd. Je ontkomt er dus niet aan om ook die lange langzame te lopen.

Terugkomend op de eerste alinea. Als je langer dan anderhalf uur gaat hardlopen, is het goed om drinken bij je te hebben. Ook tijdens een marathon zul je moeten drinken, anders haal je de finish niet. De duurloop is een goede gelegenheid om rennend drinken te oefenen. Hetzelfde geldt voor energiegels; die kunnen nogal eens heftig op je maag klappen. Het is dan ook aan te raden om voor je big day te testen welke gel jij lekker vindt of verdraagt. Pinpas en ov-chipkaart: mocht je stranden, dan kun je in elk geval thuiskomen. Donor codicil: mocht ik omkeilen, dan weten ze tenminste meteen dat ze alles mogen hebben.

De lange duurloop is een feestje! Het is een groot cadeau om meer dan drie uur te kunnen hardlopen zonder dat je helemaal stuk gaat. Die lange duurloop is een feestje dat soms tijdens die uren durende tocht een heel groot feest wordt. Als de zon schijnt of als je een torenvalk ziet. Als het denken is gestopt en de gedachten binnenkomen.