Hardlopen is een denksport. Ja, dat lees je goed. Vooral het lopen van en trainen voor lange afstanden is voor een heel belangrijk deel een mentale kwestie. Dat dit zo is, ontdek ik nu dik zes jaar steeds opnieuw.

Voorbeeld. Vanochtend had ik een best pittige training op mijn programma staan. Zeven kilometer hollen, waarvan ik tijdens de middelste vijf een hartslag moest bereiken van 174 slagen per minuut. Om die hartslag te bereiken moet ik keihard rennen; zo hard dat ik vooraf dacht ‘dat hou ik vandaag geen vijf kilometer vol’. Maar goed, volgens de inspanningstest die ik laatst heb gedaan, zou ik dit aan moeten kunnen. Dus daar ging ik.

Amsterdam Marathon, oktober 2013. Hier lieg ik tegen mezelf dat het superlekker gaat. En het werkte.

Die eerste kilometer op tempo ging best soepel. Tijdens de tweede dacht ik: “Misschien moet ik het in twee blokken van 2,5 kilometer opknippen.” Om daar meteen achteraan te denken: “Nee! Jij kunt dit.” Vind een ritme en blijf gaan, was mijn dringend advies aan mezelf. Halverwege de derde kilometer dacht ik: “Na die vierde snelle km schakel ik ietsje terug.” Bij 3,8 km beet ik mezelf toe: “DOORRR! Drie rondjes op de baan, meer is het niet!” Bij 4,6 km schakelde ik een piepklein tandje bij en bij 4,8 kilometer nog een keer. Missie volbracht.

“The key to building distance in the long run is the ability of the mind to lie to the body — and be convincing”, schrijft de Britse filosoof en hardloper Mark Rowlands in zijn fantastische boek ‘Running With The Pack. En zo is het. Op momenten dat je het moeilijk krijgt, hou je jezelf een wortel voor. ‘Tot die lantaarnpaal, dan even rusten’. Ben je daar bijna, dan plak je er nog een stuk aan. Net zo lang tot je meer hebt gepresteerd dan je vooraf voor mogelijk hield. Heb je jezelf op die manier overwonnen, dan is het een volgende keer makkelijker om een afstand af te leggen of een bepaalde snelheid te halen. Je hebt dan het psychologische voordeel van weten dat je het kan.

In het boek waarin ik nu bezig ben ‘Naar het Noorden’, schrijft ultraloper Scott Jurek trouwens dat de sport ‘negentig procent mentaal is en die andere tien ook’. Denk daar eens over na.

Een doel voor ogen hebben helpt enorm bij het streven naar verbetering. Het blijkt best lastig om jezelf te pushen als er geen richting is waarin je duwt. Zonder het doel ‘5 km op een hartslag van 174’ ga ik mijn longen er niet zomaar uit rennen. Misschien dat ik zonder die richting best hard train, maar mezelf tot dichtbij het uiterste drijven, zal ik dan niet snel doen.

Dat is het sterke van trainen met een schema. Nog veel meer dan jou precieze tijden of afstanden te laten lopen, schept het een kader waarin jij consistent aan het sporten bent. Puur het over langere tijd een paar keer in de week lopen, zorgt in het algemeen al voor progressie. Consistent zijn, blijkt lastig als er niet een doel aan de horizon glimt.

Plant een vlag aan de horizon en loop erheen. Liegen is daarbij toegestaan.