Lessen van een waanzinnige

Iets leren kost mij vaak wat vallen en opstaan. Hard vallen soms. Zo heb ik er ruim 20 jaar over gedaan om te leren dat ik niet kan omgaan met drank. En een vrachtwagen aan niet al te beste ervaringen met drank weerhielden mij er vervolgens niet van om te proberen succesvol feestelijk te zijn met drugs. Ook dat mislukte glorieus en keer op keer. Met al die gekkigheid stopte ik jaren geleden, maar met hardnekkig dezelfde fout maken alvorens iets van die fout te leren ging ik nog een tijdje door.

 

‘Doing the same thing over and over and expecting different results’, wordt wel aangehaald als definitie van waanzin. (Einstein zou dit gezegd hebben, maar dat blijkt helemaal niet zo te zijn. Ik dwaal af.) Ik ben het helemaal eens met die quote en als marathonloper ben ik absoluut vaak die waanzinnige geweest. Niet door eraan te beginnen, want 42 kilometer rennen is echt goed haalbaar. Nee, door van de 19 marathons die ik inmiddels liep, zeker de helft te snel te starten.

Er zaten ook heus een paar prima marathons tussen met een voor dat moment alleszins acceptabel resultaat, maar pas bij marathon nummer 13 kwam ik erachter dat het voor mij wel zo verstandig is om goed mijn hartslag in de gaten te houden. Op een door Vondelgym-collega Martijn Rodijk opgesteld schema liep ik prompt een pr. En vier weken later weer eentje. Dus nu had ik het trucje door? Nope. Tijdens de Boston Marathon liep mijn hartslag in de eerste 10 kilometer veel te snel op. ‘Schijt’, dacht ik, ‘rammen, we zien wel waar het schip strandt.’ Toen ik eenmaal het hoogste punt van Heartbreak Hill bereikte, sloeg het schip uiteen op de klippen. Ik strompelde de resterende 10 kilometer naar de finish.

Een maand na die schipbreuk besloot ik nog een marathon te lopen om me te revancheren en me nu wel te gedragen als een redelijk mens. Tussen kilometer 5 en 10 moest ik naar mijn smaak veel te langzaam lopen om op de bij die fase horende hartslag te blijven. Maar toen begon het ook figuurlijk te lopen, het tempo ging omhoog en ik liep een uitstekende Utrecht Marathon; mooie tijd, net geen pr.

Een marathon kan trouwens ook heel goed mislukken als je wel op een verantwoord tempo van start gaat. Je kunt het stevig verknallen door je brandstofplan slecht uit te voeren. Of helemaal niet over een dergelijk plan te beschikken. Als de tank leegraakt, staat er ergens een man met een hamer te wachten die jou de wedstrijd uit beukt. Pak je het slim aan, dan zorg je dat je iedere 30-40 minuten de koolhydraatvoorraad aanvult. Of je er nu zin in hebt of niet. Drinken moet je net iets vaker doen. Ook hier is zin hebben irrelevant. Sowieso hebben ‘zin’ en de ‘marathon’ na een kilometer of 20 niets meer met elkaar te maken.

Daar komt de mentale component in het spel. Ook op dat vlak kun je jezelf lelijk in de vingers snijden. Zelfs als je heel goed getraind bent, komen er op een bepaald moment signalen door die je gebieden het rennen onmiddellijk te staken. ‘Doe normaal!’, zeggen die signalen. Dat ben je inmiddels gewend en je kunt die kwade stemmen goed negeren, want dat heb je tijdens interval- en tempotrainingen ook voortdurend gedaan. Maar na 30 kilometer klinken de stemmen behoorlijk overtuigend. Negeren is dan niet meer voldoende, je moet ze tegenspreken. ‘Nee! Ik kan dit. Hier ben ik voor geboren, damn it! Moedig voorwaarts!’ Ik ben een aantal keer wel gezwicht voor de stemmen. ‘Even wandelen door de drankpost’, dacht ik toen. Juist op die momenten, de momenten dat je uit je ritme stapt, sloeg de kramp toe en – erger nog – vanaf dat moment weten lijf en geest dat wandelen een optie is. Toen was ik verloren.