Op dit blog deelt Klaas Boomsma zijn liefde voor en kennis van het hardlopen. En hoopt jou te motiveren om ook lekker te gaan lopen.

Je kan wel heel veel praten en schrijven over hardlopen en marathons lopen in het bijzonder, maar dat betekent allemaal niet zoveel als je het niet ook af en toe doet. Daarbij is het ook nog eens heel leuk. Tenminste de eerste 35 en de laatste kilometer.

Dat stuk tussen de 35 kilometer en het allerlaatste stukje marathon is gruwelijk. Ik heb er nu negen gelopen en ik kan inmiddels wel zeggen dat dit zonder uitzondering geldt. Vooraf dacht ik nog wel dat het deze keer ging meevallen, omdat ik op een zeer bescheiden tempo vertrok en helemaal geen grote ambities had wat betreft mijn eindtijd. Ik wilde binnen drieënhalf uur finishen en dat is ruim 25 minuten langzamer dan mijn snelste tijd en ook twintig minuten langzamer dan mijn laatste marathon in oktober.

De eerste 24 kilometer liepen als een zonnetje. Ik liep in een groepje van zes man in een redelijk vlak tempo. Het scheelt een hoop energie als je achter een paar ruggen kan lopen en niet zelf op het tempo hoeft te letten (Wie jullie ook waren: bedankt!). Toen het tempo in die groep een beetje begin in te zakken, besloot ik het groepje te verlaten en iets te versnellen. Een andere loper uit het groepje ging mee. Deze man had de week ervoor nog een marathon over het strand gelopen trouwens. De hele weg van Scheveningen naar Zandvoort had hij wind tegen gehad, windkracht 7. De omstandigheden in Amstelveen en omstreken waren iets relaxter. Vrijwel windstil, een graad of 16 en een stralende hemel.

Zo rond de dertig kilometer werd me duidelijk dat deze ijzervreter net iets te snel liep voor wat ik in huis had. Hij ging alleen verder. Bij kilometer 32 begon ik me te verwonderen dat ik op dit punt net zoveel vermoeidheid voelde als tijdens marathons die ik in een veel hoger tempo had gelopen. Nog een paar kilometer later, ging ik door dezelfde kwelling als in al die snellere edities. En het kostte me nog een uiterste krachtsinspanning om in 3:28 te finishen.

Het was dus geenszins het relaxte loopje geworden dat ik me in mijn hoofd stiekem had voorgesteld. Daar zijn ook wel wat redenen voor aan te voeren, maar die doen er hier even niet minder toe. Het belangrijkste leerpunt is toch wel, dat een marathon altijd een monsterklus is. Ook als je ‘m niet racet. En dat had ik toch echt schromelijk onderschat.

 

Ook op een lager tempo raak je door je voorraden heen. Juist door die lagere snelheid ben je langer onderweg en loop je langer met een verhoogde hartslag energie te verbranden en vocht te verliezen. Logisch.

Dus ook in deze zoveelste marathon viel weer een wijze les te leren. Onderschat ‘m nooit, die moeder aller langeafstandslopen. Je kunt nog zo soepel een trainingsloop van 34 kilometer doorkomen, die 42 kilometer en 195 meter maken samen een heel ander verhaal. Het venijn zit ‘m altijd weer in de staart. Daarom hou ik zo van deze afstand, je raakt nooit uitgeleerd en je moet er heel veel voor doen om ‘m echt onder de knie te krijgen.