Wie zichzelf met overtuiging kan bedriegen, heeft het in zich een goede langeafstandsloper te zijn. Volgens de Britse filosoof – en hardloper – Mark Rowlands vormt ‘zelfbedrog de kern van uithoudingsvermogen’, zo betoogt hij in zijn fantastische boek Running With The Pack. Rowlands blijft lopen door zichzelf te beloven dat hij bij de volgende straathoek, lantaarnpaal of na deze kilometer rustig aan mag doen of misschien zelfs een stukje wandelen. Om het vermoeide lijf daar aangekomen het volgende zoethoudertje te presenteren.

Met de finish in zicht blijk je toch nog iets over te hebben.
Je kunt nog zo fit zijn, als je niet sterk in je hoofd bent, is die lichamelijke kracht weinig waard. Als je lange afstanden loopt en je doet dat met de wens om snel te zijn, weet je dat je jezelf door het laatste stuk heen moet praten. ‘Klein stukkie nog’, ‘focus op techniek’ of ‘hierna hoef je nooit meer hard te lopen’. Die inwendige aansporingen zijn in de laatste fase van een race hard nodig, omdat ze tegenwicht moeten bieden aan de oorverdovend door je hoofd toeterende opdracht: ‘kap hiermee, ga wandelen!’

Je hoofd is op de een of andere manier altijd eerder klaar met jouw uitputtende gedraaf dan je lichaam en het vervelende is dat de signalen van vermoeidheid, die je lijf wel degelijk afgeeft, door dat tot overdrijving geneigde hoofd tot gedachten worden gesmeed. ‘Je bent best moe’ wordt: ‘je bent helemaal kapot, man!’ en ‘je hartslag is aan de hoge kant’ komt tot je als: ‘regelmatig vallen bij dit soort evenementen mensen dood neer’.

Maar dat hoofd is full of shit. Nog lang nadat je brein je vertelt het bijltje erbij neer te gooien, kun jij nog door. Sterker nog, zodra je de finish in zicht krijgt of de stem van de speaker hoort, blijkt er nog een versnelling of zelfs een eindsprint in dat doodverklaarde lijf te zitten.

Zoals je ieder onderdeel van het hardlopen kan trainen, is ook het ‘tussen-de-oren-gedeelte’ trainbaar. Een heel efficiënte oefening daarin is de intervaltraining. Moet je in een training tien keer 400 meter lopen, dan is de kans groot dat je ergens rond de vijfde intervaltraining denkt – of beter gezegd, zeker weet – dat je die marteling onmogelijk nog vijf keer aankunt. Maar, you’re on a mission, dus je gaat door. En dan ineens heb je er acht gelopen. Ze doen pijn, maar je bent er nog. Nog twee te gaan. De negende is gruwelijk, maar je zult zien dat jezelf verbaast met de tiende. Het is niet ondenkbaar dat die laatste je snelste is; last one fast one. Zo leer dat er altijd nog wat in zit, dat er altijd nog een verborgen laatje met energie open kan.

Met dat soort trainingen bouw je aan mentale kracht. Weet je jezelf in trainingen keer op keer over het dode punt heen te slepen, dan neem je dat mee in wedstrijden, in die laatste vijf kilometer van een halve marathon of die laatste tien van de marathon.

Je eigen negatieve gedachten verslaan; hoe krachtig is dat? Een levensles die veel verder strekt dan een stukje hardlopen.