Het regent. Het regent al drie dagen op rij en het is zomer. Zeggen ze.

Terwijl ik sta te wachten bij het stoplicht zingt Drake zachtjes in mijn oren. “All summer ‘sixteen”. Het licht springt op groen en ik wacht netjes tot ook de laatste taxi door zijn rode stoplicht is gereden.
Oh Amsterdam.

Ik mag het niet hopen Drake, denk ik als ik nog wat dieper mijn kraag induik en mijn capuchon verder over mijn hoofd trek. Ik ben er bijna.

Het Conservatorium Hotel aan de Van Baerlestraat doemt voor me op. Ik kom hier graag. De koffie is er sterk, de Gin ook, en het torentje met mini macarons en chocolate chip cookies bij de koffie maakt de situatie win-win. Het is donderdagmiddag maar als ik vraag of er koffie geserveerd kan worden in de cocktailbar is dat geen probleem.

Bij de ingang van het hotel word ik begroet door de portier. Hij herkent me en ik knik hem toe. Ik voel me altijd een beetje ongemakkelijk als iemand de deur voor me opendoet en hierbij een halve buiging maakt. ‘Altijd’. Alsof mij dit dagelijks overkomt, maar dat valt tegen. Ik kom hier vaak, niet dagelijks.
Na het PR-event van vanochtend bedacht ik met mijn healthy mind dat ik wel terug naar huis kon lopen. De Nederlandse zomer besloot echter dat dat niet het meest handige plan van de dag was en dus is dit voor heel even een schuilplaats.

“Wat een weer he”, aldus de man met de herenpet. Hij staat waarschijnlijk de hele dag in de regen. Deuren te openen voor doorweekte gasten.
Nou inderdaad. Ik wilde hem vertellen dat Drake denkt dat dit de hele zomer duurt, maar houd me in.
Als ik mijn zeiknatte paraplu probeer uit te schudden en terug probeer te frommelen in het bijbehorende zakje, komt de portier naar me toe. “Wacht, laat mij”.

Nog voor ik kan protesteren pakt hij mijn paraplu en loopt ermee naar een apparaat wat er op het eerste oog uitziet als een vergulde prullenbak. Ik laat mijn hand met het zakje voor de paraplu langzaam zakken en kijk geboeid toe hoe de portier mijn paraplu in de bovenkant van het apparaat stopt en er niet veel later aan de onderzijde weer uithaalt. Inclusief plastic zakje. Wow. Dit bestaat dus.
Een apparaat dat natte paraplu’s automatisch in plastic wikkelt. Ik bedank de portier vriendelijk en loop met mijn plastic zakje de hal van het hotel in.

In de cocktailbar is het op twee toeristen na leeg. Mooi. Ik laat me zakken in een van de leren banken die in de muur zijn weggewerkt en kijk rond. Rechts glinsteren honderden flessen dure drank vanachter de bar me tegemoet in een drankkast zo hoog als het plafond. Voor me staat een massief glazen tafel met plek voor minimaal twintig gasten, en daarachter licht een vitrine met een fles Rémy Martin Louis XIII de hoek blauw op. Cognac van meer dan tweeduizend euro per fles. En dat is het kleinste model.

Ik schud mijn hoofd en pak mijn telefoon. Ik zap door Instagram, dubbelklik wat foto’s, haal een paar keer mijn wenkbrauwen op en scroll door Facebook. Ik scan wat nieuwssites en lees een aantal blogs. Tien tips om bla-bla-fit, stay fit zus en zo, hoe ontzettend zwaar het leven van een blogger is, de druk die er bestaat om continue te presteren, het gevoel ons te moeten verantwoorden voor de foto’s die we wel of niet posten en uiteraard dertig healthy recepten die intens vies zijn, maar die we maken en delen en met droge ogen ‘heaven’ noemen.

Ik klik het scherm weg en leg de telefoon op tafel.
De koffie wordt geserveerd en terwijl het kopje mijn handen verwarmt kijk ik naar het carb-torentje wat naast het schoteltje is gezet. Macarons en koekjes staren terug.

Ik denk aan mijn to-do-list, mijn uitpuilende inbox en mijn werk als ‘social influencer’. Als dat al een woord is. Ik denk aan het feit dat ik al even niets heb geschreven, simpelweg omdat ik niet altijd weet wat ik moet zeggen. En alle top-5-lijstjes en challenges de (online) revue al wel zijn gepasseerd. En fucking saai zijn. En ik daar niet aan bij wil dragen. En ik lekker dwars ben. En ik besef me dat ik ook vaak heel hard roep dat ik het zo intens druk heb. Druk met fit zijn. Druk met influencen. Druk met belangrijk zijn, cuz ain’t we all.

Mijn koffie is op maar ik blijf zitten met het lege kopje in mijn handen.
Ik denk aan mijn huisgenoot die deze zomer doorbrengt in een vluchtelingenkamp in Griekenland. Om te helpen waar ze kan. Waar geen telefoons zijn, geen Instagram, geen 10-things-to-do-when-lijstjes. Geen machines die het mogelijk maken om paraplu’s droog mee naar binnen te nemen. Waar de hitte niet te harden is, maar het nog lang geen zomer is.

Ik kijk naar de lichtroze mini-macaron en pak het koekje op. Een aantal jaar geleden had ik dit gewoon een lekker koekje gevonden. Nu denk ik aan de calorieën die het bevat. En automatisch denk ik aan het aantal minuten op de crosstrainer die hiervoor nodig zijn om het te verbranden. Ik draai de macaron een paar keer om en leg het terug op het schaaltje.

Het scherm van mijn telefoon licht op. Iemand stuurt me een foto via Snapchat. Ik maak een foto van het lege kopje koffie met het volle torentje vol koek en druk op send. Een aantal seconden later ontvang ik een tweede snap. ‘EET DAN’, staat erop, en ik moet lachen.

Sure, ik heb het druk. Druk met mijn bedrijf, druk met mijn trainingen, mijn aankomende prep, mijn aankomende events en druk met PR-zaken. Maar ik kies hier 110% voor. Iedere dag opnieuw. Want ik héb een keuze.

Ik reken af en groet de portier onderweg naar buiten. “U treft het mevrouw, het is droog”. Ik antwoord dat ik het zeker heb getroffen en met de in plastic gerolde paraplu stevig onder mijn arm geklemd loop ik het Vondelpark tegemoet.

Drake zingt zachtjes in mijn oor en ik glimlach.

Ik klem mijn hand nog wat steviger om de roze mini-macaron in mijn linker jaszak.
“All summer ‘sixteen”.

Photocredit: Kenneth Nwosu